VRIJWILLIGER IN HET ZONNEHUIS

Ted van der GeestSinds twee jaar doet Ted van der Geest vrijwilligerswerk op de Palliatieve Unit van het ver-pleeghuis 'Zonnehuis' in Vlaardingen. Een impressie van een ochtenddienst op een afdeling van terminaal-patiënten.
[Alle namen zijn gefingeerd.]

Samen op zoek.

Als ik om 9 uur de woonkamer van de unit binnenkom, zitten meneer Zuidgeest en mevrouw Luijten al in hun rolstoel aangeschoven aan de eettafel gereed voor het ontbijt. Mevrouw Luijten kan haar eigen boterham klaarmaken, maar meneer Zuidgeest lukt dat niet meer, zodat ik dat doe. Al keuvelend wordt de in kleine stukjes gesneden boterham voor de helft verorberd, hij neemt zijn medicijn in met een paar schepjes vanillevla en drinkt een kop thee. Dan rijd ik hem naar zijn kamer, help hem uit de rolstoel in zijn verstelbare leunstoel, zet zijn tv aan en ga naar de huiskamer om de afwas te doen.

Mevrouw Luijten droogt af, wat wel vijfmaal zo lang duurt, maar ze heeft wat om handen en het geeft haar het gevoel mij het werk te verlichten. Naast haar somatische kwaal waaraan ze binnen niet al te lange tijd zal overlijden, is ze ook geestelijk in de war. Ze mist haar man en wil dat we hem samen gaan zoeken. In haar rolstoel rijd ik haar langs alle kamers van de afdeling Saturnus en dat kalmeert haar.

Wanneer we echter even halt houden en toekijken bij bewoners die voor zover mogelijk de activiteitenbegeleidster 'assisteren' met appeltaart maken, slaat de onrust weer toe en roept ze klagend om haar man Karel. We zoeken dus 'quasi' verder. Als de verpleger haar een tabletje geeft, komt ze wat tot rust en kan ik haar met een 'Story' even alleen laten om koffie te zetten.

Mevrouw Luijten is na enige tijd in haar rolstoel ingedommeld, wat mij de gelegenheid geeft om even een praatje te maken met mevrouw Helsloot. Ze ligt in bed en is erg moe, omdat ze vanmorgen in bad geweest is. Dat heeft toen heel wat energie gevergd van haar doodzieke lichaam. Ze ziet haar naderend einde heel gelaten onder ogen, leest veel, beluistert bandjes van kerkdiensten en krijgt veel telefoontjes en bezoek. Ons praatje duurt dan ook niet zo lang, want na 10 minuten wordt ze gebeld.

De Heer is mijn helper

Nu de vier aan mijn zorgen toevertrouwde personen of slapen of bezoek hebben, ga ik even 'buurten' bij meneer Rekers op een andere afdeling. Elke keer als ik bij hem kom, ontroert hij mij vanwege zijn manier van omgaan met zijn slopende ziekte. Hij kan alleen nog maar goed praten, en met zijn rechterhand de knopjes van zijn rolscooter bedienen en de bladzijden van zijn bijbel omslaan. Uit die bijbel put hij zoveel steun en vertrouwen, dat ik hem altijd opgewekt aantref. Verbazingwekkend dat iemand zich zo goed kan schikken in zo'n beroerde situatie. Wat een geestkracht in dat haperende lichaam! Het brengt ons, die vaak meer zorg besteden aan 'body-building' dan aan karakter- en persoonlijkheidsvorming tot bezinning. Mijn bezoek doet ons beiden goed; het sterkt ons om op onze zo verschillende levensweg voort te gaan.

Vrijwilligers zijn noodzakelijk

Als ik na een half uurtje terugkom op de unit, tref ik meneer Luijten bij zijn vrouw aan. Ik zorg voor koffie en stap bij mevrouw Helsloot binnen om ons afgebroken praatje voort te zetten en wat orde te brengen in de vele bloemen die ze gekregen heeft. Om twaalf uur presenteer ik de bewoners en bezoekers een kop soep. Meneer Zuidgeest moet ik helpen en meneer Steenman heeft sondevoeding en dat verzorgt de verpleger. Die is dag en nacht in de buurt en dat is maar goed ook, want de mensen op deze afdeling hebben dodelijke ziekten en als vrijwilliger wil ik daar niet alleen voor staan. Ik ben er om de beroepskrachten eenvoudig werk uit handen te nemen, zodat zij meer tijd kunnen uittrekken wanneer zij aan de hier opgenomen mensen de noodzakelijke medische verzorging verlenen.

Wie ooit een keertje in een verpleeghuis geweest is, heeft kunnen zien dat door de verplegers lang niet die aandacht aan de bewoners gegeven kan worden als waar ze behoefte aan hebben. Als vrijwilliger kan ik daarin enige verbetering brengen. Ik heb na 40 jaar leraarschap gelukkig nog fut genoeg om de gedupeerden hier enigszins van dienst te zijn. Wat hebben zij die hier wonen niet allemaal moeten inleveren! Mijn ogen, hart daarvoor sluiten, valse excuses bedenken om me afzijdig te houden, dat kan ik toch niet maken! Er wordt op mij gerekend. Ook nu om half een. Vanuit de centrale keuken zijn de maaltijden boven gebracht, die ik nu in de magnetron verwarm. Meneer Zuidgeest en mevrouw Helsloot moet ik meer of minder helpen met eten, mevrouw Luijten redt zichzelf. Om 1 uur neemt een andere vrijwilliger de dienst over, maar voor vanavond is er geen vrijwilliger.

Misschien u, lezer, binnenkort? Kom vrijblijvend eens kennismaken. Hebt u eenmaal die stap gezet en uw schroom overwonnen, dan zult u ervaren, dat er voor vrijwilligers zinnige, gewaardeerde en voldoening-gevende taken te over zijn in een verpleeghuis. Men ziet uw hulp daar reikhalzend tegemoet.

Bron: Oriëntatie FIC nr.231, 2002-1, p. 46 v.

Auteur: Wim Swüste, f.i.c.