<< Our Spirituality

K O N S T I T U T I E S

Congregatio Fratrum Immaculatae Conceptionis Beatae Mariae Virginis

Kongregatie van de broeders van de onbevlekte ontvangenis van de heilige maagd Maria

" GOD IS LIEFDE "

I N H O U D

KERNGEDACHTEN blz. 4

DEEL I : HET LEVEN IN ONZE KONGREGATIE blz. 5

1. Omwille van het Rijk Gods blz. 6

2. Onze apostolische zending blz. 10

3. Een gemeenschap van broeders blz. 15

4. Gedragen door God blz. 21

5. Onze toewijding blz. 28

DEEL II : INGROEI IN ONZE KONGREGATIE blz. 34

6. Voorbereidingstijd en noviciaat blz. 35

7. Professie en verdere vorming blz. 38

DEEL III : BESTUURLIJKE EN ADMINISTRATIEVE AANGELEGENHEDEN

IN ONZE KONGREGATIE blz. 42

8. Het generaal kapittel blz. 43

9. Het generaal bestuur blz. 45

10. Provincies en kommuniteiten blz. 50

11. De tijdelijke goederen en het beheer ervan blz. 53

DEEL IV : blz. 56

SLOTBEPALINGEN

LIJST VAN CITATEN blz. 58

VERWIJZINGEN blz. 59



K E R N G E D A C H T E N

Wij weten ons geroepen een apostolische en broederlijke gemeenschap van religieuzen te vormen.

In gelovige verbondenheid met Jezus Christus, met elkaar en met alle mensen wijden wij ons aan de uitgroei van het Rijk Gods in onszelf, in onze gemeenschap, in de kerk en in de wereld waarin wij leven.

Als kongregatie richten wij ons vooral op gelovige opvoeding en vorming en staan daarbij open voor de tekenen van de tijd en voor de Geest die waait waar Hij wil.

Onze speciale zorg gaat uit naar personen en groepen waarnaar ook de bijzondere aandacht van Jezus Christus uitging.

Wij noemen ons broeders en willen ook werkelijk broeders zijn van elkaar en van alle mensen, liefde ontvangend en liefde gevend.

Maria is ons voorbeeld en onze patrones.



DEEL EEN

N.B. Het artikel-nummer
staat achter elk artikel

HET LEVEN IN ONZE KONGREGATIE

1. OMWILLE VAN HET RIJK GODS

1. Mens zijn

Als mens leven wij in deze wereld; samen met alle andere mensen. Zoals ieder mens wensen wij van ons leven het mooiste te maken, dat er van te maken valt. Zoals ieder mens vragen wij om het diepste, het meest volkomen geluk. Zo goed mogelijk mens zijn. Dit zien wij als onze levensopdracht. Daar willen wij ernst mee maken.

2. In God

Het bovenstaande wordt gedragen door ons geloof in Hem, die de grond is van ons bestaan. Wij geloven, dat heel ons leven verloopt binnen de weidse ruimte van een persoonlijke God, die ons en allen en alles omvat. Die liefde is.

3. God, mens met ons

Wij zijn beperkte mensen. Daarom blijft God voor ons onnoembaar, als Hij zich niet openbaart.

Wij geloven, dat Hij zich geopenbaard heeft. In Jezus van Nazaret zien wij het levende beeld van God. In Jezus van Nazaret is God mens met ons.

4. Naar Jezus toegroeien

Jezus toont ons, hoe een mens is die Gods opdracht ten volle vervult.

Goed mens zijn, beter mens worden, betekent dan ook voor ons: naar Jezus Christus toegroeien, leven uit zijn leven, zijn blijde boodschap over de komst van het Rijk van God tot de onze maken.

Wij doen dit in beperktheid en gebrokenheid, maar ook in de kracht van Gods genade, die ons boven onszelf uittilt.

5. In de kerk

Christus vraagt van ons, dat wij ons toewijden aan de komst van het Rijk, het Rijk van "gerechtigheid, vrede en vreugde in de heilige Geest". 1)

Wij doen dit als lid van zijn kerk, die Hij bedoelde als een zuurdesem dat alles doordringt en als een krachtige kiem van eenheid, hoop en heil. (1)

6. Als broeders

In deze kerk proberen wij onze toewijding aan het Rijk van God op een eigen wijze gestalte te geven in onze kongregatie.

Wij maken de blijde boodschap van Jezus tot onze meest fundamentele leefregel en door geloften verbinden wij ons omwille van het Rijk tot gehoorzaamheid, tot armoede en tot een ongehuwd leven.

In Jezus' naam vormen wij een broederlijke gemeenschap, in zijn geest willen wij broeders zijn van elkaar en van alle mensen.

Onze kongregatie is een pauselijke kongregatie voor mannelijke leken-religieuzen, die zich wijden aan apostolisch werk.

7. Ludovicus Rutten

Onze kongregatie werd in 1840 gesticht door Ludovicus Rutten. Deze jonge priester voelde zich geroepen, heel zijn leven en al zijn middelen in dienst te stellen van de christelijke opvoeding en vorming van de jeugd. Zijn eerste aandacht ging uit naar de arme en verwaarloosde jeugd in zijn geboortestad Maastricht, waar de sociale toestanden in die tijd uitermate slecht waren.

8. Bernardus Hoecken

In 1840 werd Bernardus Hoecken de eerste overste van de eerste kommuniteit van onze kongregatie. Zelf was hij toen nog novice; zijn huisgenoten waren aspiranten. In 1842 behoorde hij tot de eerste broeders die hun geloften aflegden. Vele jaren heeft hij naast Rutten leiding gegeven aan de groeiende gemeenschap.

Evenals bij Rutten ging zijn apostolische voorkeur uit naar gelovige opvoeding en vorming. Sterk heeft hij erop aangedrongen, dat de broeders de armen nooit uit het oog zouden verliezen.

9. In de geest van onze stichters

Onze stichters waren bewogen mensen, vol van de geest van Jezus. Zij voelden zich gegrepen door zijn persoon en zijn boodschap. Zij voelden zich geroepen en gezonden zijn blijde boodschap uit te dragen.

Leven in de geest van onze stichters betekent, dat wij - in onze tijd en in onze omstandigheden - hun voorbeeld proberen te volgen, dat wij hun erfgoed bewaren.

10. Hun erfgoed bewaren

Het erfgoed van onze stichters bewaren, betekent voor ons:

- dat wij intense aandacht hebben voor geestelijke en godsdienstige nood; grote aandacht ook voor eigentijdse en kultureel geïntegreerde geloofsoverdracht,

- dat wij als onze voornaamste apostolaire traditie zien: opvoeding, vorming, onderwijs,

- dat wij - in wisselende omstandigheden - telkens weer bijzondere voorliefde tonen voor armen en zwakken,

- dat wij een open oog houden voor gezonde ontwikkelingen,

- dat wij grote waarde hechten aan een broederlijk gemeenschapsleven; wij noemen elkaar broeder en willen dat waar maken in het gewone leven van iedere dag,

- dat wij een bijzondere verering hebben voor Maria. (2)

11. Onze overleden medebroeders

Niet alleen de gedachtenis aan onze stichters willen wij levend houden, wij voelen ons eveneens blijvend verbonden met al onze overleden medebroeders. Dankbaar voor hun inspirerend voorbeeld, houden wij ook hun erfgoed in ere.

Wij gedenken hen in onze gebeden en bevelen ons aan in hun voorspraak.

12. Maria

Maria is de patrones van onze kongregatie. Graag plaatsen wij ons leven onder haar bijzondere bescherming. Wij noemen ons: Broeders van de onbevlekte ontvangenis (Fratres immaculatae conceptionis; F.I.C.).

Het leven van Maria stond helemaal in dienst van haar Zoon. Zij zag zichzelf als een eenvoudige dienstmaagd, aan wie God grote dingen deed.

In haar Magnificat proeven wij haar voorkeur voor armen en zwakken en haar verlangen naar recht en gerechtigheid.

Zij is de moeder van alle gelovigen. Door alle twijfels en onzekerheden heen bleef zij trouw aan haar Zoon tot op Kalvarië. Daarom prijzen alle geslachten haar zalig. Ook ons inspireert zij. Haar voorbeeld willen wij volgen. Haar roepen wij aan in ons gebed.

13. Ordening van ons leven

Om in navolging van onze stichters samen onze idealen waar te kunnen maken, moeten wij afspraken met elkaar maken. Hiertoe dienen:

- onze konstituties,

- ons kongregationeel statuut,

- de provinciale statuten,

- regelingen geldend voor afzonderlijke kommuniteiten.

14. Bedoeling van regelingen

Onze eigen kongregationele regelingen en ook de regelingen van het kerkelijk recht zijn bedoeld als hulpmiddelen bij het beleven van ons evangelisch ideaal.

Ons richtend naar de woorden van Jezus: "De sabbat is gemaakt voor de mens, en niet de mens voor de sabbat", 2) moeten wij blijven beseffen, dat een wet nooit belemmerend mag gaan werken ten aanzien van het doel waartoe die wet gegeven werd.

2. ONZE APOSTOLISCHE ZENDING

15. Samengeroepen en uitgezonden

Als broeders weten wij ons samengeroepen en uitgezonden om door te gaan met wat Jezus deed. Hij ging weldoende rond, Hij getuigde van de waarheid, Hij kwam om te dienen, Hij kwam om te verlossen. Hij bracht zijn bevrijdende boodschap over het Rijk Gods als een boodschap van liefde. Hij nodigt ons uit, ons geheel in dienst te stellen van dat Rijk Gods.

16. In de geest van onze stichters

Dat willen wij doen in de geest van onze stichters. Wij voelen ons aan hen verwant. Hun liefde en hun bezorgdheid maken wij tot de onze. Hun erfgoed beschouwen wij als een kostbaar bezit, dat alleen levend gehouden kan worden door respektvolle aandacht voor onze traditie en door een open oog voor de tekenen van de tijd.

In de geest van onze stichters zien wij als kongregatie onze apostolische taak met name liggen op het terrein van opvoeding, vorming en onderwijs.

17. Onze voorliefde

Met nadruk wordt hier gesteld, dat leven in de geest van de stichters eveneens betekent: bijzondere voorliefde hebben voor armen en misdeelden, voor achtergestelden en gehandikapten, voor sociaal zwakke en vergeten groepen, voor hen die weinig liefde ondervinden.

18. Geloofs-overdracht

Leven in de geest van onze stichters houdt eveneens in, dat wij bij ons apostolisch bezig zijn grote zorg hebben voor een verantwoorde eigentijdse en kultureel geïntegreerde geloofsoverdracht.

19. Buiten eigen land

Een waardevolle traditie in de kongregatie is de bereidheid om buiten eigen geboorteland mee te bouwen aan een menselijker wereld. Veel broeders verlaten hun eigen volk en hun eigen kultuur om in andere landen door daad en woord de blijde boodschap uit te dragen en het Rijk Gods gestalte te geven.

20. Doordrongen van een apostolische geest

Apostolaat is meer dan alleen maar werken; het is rijker en dieper. Werk kan tot apostolaat worden door de toewijding en de liefde waarmee het verricht wordt en door de religieuze grondhouding waardoor het gedragen wordt. Ons ideaal is, dat heel ons leven doordrongen wordt van een apostolische geest. (3)

21. Degelijk en doeltreffend

Als wij ons apostolaat degelijk en doeltreffend willen opzetten, vraagt dat onder meer van ons, dat wij op de hoogte zijn van eigentijdse geestesstromingen en noden en van de omstandigheden in landen en plaatsen waar wij werken.

22. Beschikbaarheid

Van onze kongregatie wordt gevraagd: grote beschikbaarheid en onbaatzuchtigheid. Wij dienen bereid te zijn, ons in te zetten, waar en zoals dat het meest gewenst is. Dit vraagt durf en zelfverloochening. Dit vraagt ook nuchtere voorzichtigheid en begrip voor mogelijkheden. Altijd zal onze gemeenschap in haar mogelijkheden beperkt blijven: door traditie en door uiterlijke omstandigheden; door het aantal van haar leden; door de normale menselijke beperktheid en zwakheid van haar leden. Te veel en te veelsoortig werk leidt ondanks alle goede bedoelingen tot weinig diepgang en tot versnippering van krachten.

23. Zoals de kongregatie vraagt

Bij onze apostolische inzet mag verwacht worden, dat wij werken waar en zoals de kongregatie dit door onze overheid van ons vraagt. Ook wanneer dit ingaat tegen eigen verlangens, voorkeuren of inzichten. Dit kan bijzonder moeilijk zijn. Maar als religieus stellen wij ons beschikbaar. Totaal.

24. Samen met anderen

Totale beschikbaarheid brengt eveneens mee, dat wij graag bereid zijn samen te werken met anderen; ook in dienstverband buiten onze kongregatie, ook in ondergeschikte posities.

25. Zo bruikbaar mogelijk

Totale beschikbaarheid vraagt van ieder van ons, dat wij ons zo goed en harmonisch mogelijk ontwikkelen. Niet alleen tijdens onze vormingsjaren maar blijvend, een leven lang. Wie zich in een apostolische kongregatie beschikbaar stelt, zal zich zo bruikbaar mogelijk willen maken.

Ook het beleid van de kongregatie als geheel dient gekenmerkt te worden door zorg voor blijvende vorming en ontwikkeling.

26. Een gezamenlijke opdracht

Alle broeders zijn - op welke wijze dan ook - betrokken bij onze gezamenlijke apostolische opdracht en mogen bij het vervullen van hun taak rekenen op steun vanuit de gemeenschap.

Binnen onze gemeenschap is beraad over de keuze van onze apostolische werkzaamheden en over de wijze waarop wij die verrichten, blijvend noodzakelijk.

Bij ons beraad willen wij oog hebben voor de tekenen van de tijd en gelovig openstaan voor wat de Geest van ons vraagt.

27. Persoon en gemeenschap

Ieders persoonlijke taak moet gezien worden in het licht van onze gezamenlijke apostolische opdracht in de kerk. Onze taken kunnen zeer uiteenlopen. Dat hangt af van de noden waarvoor de gemeenschap zich inzet. Dat hangt af van eigen inzicht en van beraad binnen de gemeenschap. Dat hangt af van het inzicht van hen die leiding geven. Dat hangt ook af van de gaven, die de Geest ieder van ons persoonlijk geeft: "Er zijn verschillende gaven, maar slechts één Geest. Er zijn vele vormen van dienstverlening, maar slechts één Heer". 3)

Ieder van ons mag zijn gaven gebruiken om anderen te dienen, wetend dat wij allen beperkt zijn, dat allen elkaar nodig hebben. "Een lichaam bestaat nu eenmaal niet uit één lid maar uit vele leden". 4)

28. In vreugde en verdriet

Ons werk kan veel voldoening geven. Dan gaan wij erin op en groeien in ons werk. Wij ondervinden de diep-menselijke vreugde van kreatief bezig zijn. Het kost moeite en inspanning, maar deze moeite en inspanning worden beloond, want wij zien resultaten. Het is dan een weldaad te mogen werken, iets te kunnen presteren. Het is een weldaad door ons werk anderen te mogen helpen, op welk terrein dan ook. Het is vreugdevol en verrijkend, ondanks alle zorgen en moeilijkheden.

Ons werk brengt ook teleurstellingen. Door eigen gebrekkigheid en door tekorten van anderen. Troostend is het dan te weten, dat offer en lijden ons werk kunnen bevruchten.

Ons werk kan saai en eentonig worden; alle uiterlijke glans missen. Dan wordt gevraagd toch verder te gaan, in gelovige trouw. "Wij verkondigen immers niet onszelf, maar Christus Jezus, de Heer. Onszelf beschouwen wij slechts als dienaars om Jezus' wil". 5)

29. De inrichting van ons leven

De inrichting van ons leven moet in overeenstemming zijn met de eisen die het apostolaat stelt. Dat betekent niet, dat er alleen plaats zou zijn voor hard en efficiënt werken. Onze apostolische inzet zal rijker en dieper worden, als er ook voldoende ruimte is voor bezinning en gebed, voor echt menselijke kontakten, voor deelname aan het gemeenschapsleven, voor rust en ontspanning.

30. Meer dan het werk

Een mens is meer dan het werk dat hij verricht. Wat wij doen is belangrijk. Nog belangrijker is, wie wij zijn. Daarom kan het leven van hen die vanwege ouderdom, ziekte of wat dan ook, niet in staat zijn deel te nemen aan de werkzaamheden van de kongregatie, blijvend groeien in waarde voor henzelf, voor onze apostolische gemeenschap en voor vele anderen.

31. Apostolaat en geloftenbeleving

Op de dag van onze professie geven wij door het af-leggen van onze geloften uiting aan ons verlangen, ons vrij te maken voor God, ons aan Hem toe te wijden. Zich toewijden aan God is onmogelijk zonder zich toe te wijden aan medemensen, zonder liefdevolle zorg voor hen. Onze geloften en ons apostolaat staan niet los van elkaar. De beleving van onze geloften kan onze apostolische geest verrijken. En tegelijkertijd mogen wij hopen, dat ons apostolisch bezig zijn de beleving van onze geloften zal verdiepen.

32. Apostolaat en gemeenschap

Ons persoonlijk ideaal kennen wij terug in onze mede-broeders. Allen voelen wij ons gedragen door de apostolische geest die onze stichters bezielde. Dat is een band die ons samenbindt en onze gemeenschap versterkt. Omgekeerd geeft die gemeenschap de afzonderlijke broeders weer steun en inspiratie bij hun werk; niet alleen door gelovige gezamenlijke bezinning, maar ook door daadwerkelijke hulp en belangstelling, door meeleven en begrip, door speciale aandacht voor broeders die bij hun werk moeilijkheden ondervinden.

"Wanneer één lid lijdt, delen alle ledematen in het lijden; wordt één lid geëerd, alle delen in de vreugde." 6)

33. Apostolaat en gebed

Ons gebedsleven wordt getekend door onze apostolische bewogenheid en onze apostolische bewogenheid wordt verdiept door ons gebed. Als gelovige mensen staan wij open voor onze medemensen en staan wij samen met hen voor God.

34. Eenheid in liefde

Onze apostolische geest doordringt ons broederlijk samenleven, ons bidden en onze beleving van de geloften. De beleving van onze geloften, ons gebed en ons gemeenschapsleven bevruchten ons apostolaat.

Hoe dieper wij leven, hoe intenser wij de God van liefde zoeken, hoe meer alles in ons leven tot harmonie en eenheid zal komen, hoe meer alles in ons leven zal samenkomen in liefde. "God is liefde" 7) en in Hem vloeit alles in liefde ineen.

3. EEN GEMEENSCHAP VAN BROEDERS

35. Een van hart en een van ziel

"Dit is mijn opdracht, dat jullie elkaar liefhebben" 8)

Als broeders trachten wij samen deze opdracht van Christus te vervullen. Zijn blijde boodschap over de komst van het Rijk van "gerechtigheid, vrede en vreugde" 1) maken wij tot de onze. Gestuwd door zijn Geest willen wij evenals de eerste christenen "één van hart en ziel" 9) zijn, gemeenschap vormen. En ook buiten eigen kring gemeenschap helpen opbouwen. Wij weten ons geroepen tot eenheid en broederlijke verbondenheid om zo aan elkaar en aan alle mensen Christus te verkondigen.

36. Broeders van elkaar

Wij staan gericht op het geluk van medemensen; aller- eerst op het geluk van hen met wie wij een gemeenschap vormen. Wij noemen elkaar broeder en proberen dit woord in het leven van onze gemeenschap waar te maken.

37. Gemeenschap vormen

Gemeenschap vormen betekent: Elkaar nabij zijn in vreugde en verdriet. Elkaar willen begrijpen. Elkaar waarderen, bemoedigen en bezielen. Telkens weer bereid zijn elkaar te vergeven. Streven naar "wat goed is voor elkaar en voor allen". 10)

38. Als zwakke mensen

Als zwakke mensen maken wij wat hierboven gezegd werd, slechts onvolkomen en gebrekkig waar. Maar wij blijven er naar streven. Steeds weer trachten wij het goede in onze medebroeders te zien en te waarderen. Ondanks hun menselijke tekorten, ondanks de tegenvallers en teleurstellingen die wij elkaar bezorgen. Zo kan ook het verdriet dat wij elkaar aandoen, ons doen groeien in dieper menselijkheid en ons dichter bij elkaar brengen, dankbaar voor het waardevolle, dat wij ondanks alles van elkaar mogen ervaren.

39. Persoonlijke groei

Naarmate wijzelf meer uitgroeien tot echt volwassen en geestelijk rijke mensen, zullen wij meer voor onze broedergemeenschap betekenen. Dan voelen wij ons medeverantwoordelijk. Dan brengen wij, als dat gewenst is, eerlijk onze mening naar voren. Dan zijn wij bereid te luisteren naar anderen en hulp van anderen te aanvaarden. Dan hebben wij begrip voor het anders zijn van anderen. Dan zijn wij in staat onszelf weg te geven en toch onszelf te blijven.

40. Aandacht voor zwakken

In een hechte gemeenschap bestaat liefdevolle aandacht voor zieken, ouden van dagen en hulpbehoevenden, voor allen die om welke reden dan ook zware dagen doormaken. Voor zover mogelijk en gewenst moet gezorgd worden voor goede en deskundige hulp. Maar goede en deskundige hulp alleen is niet voldoende. Er is ook behoefte aan belangstelling, meeleven en begrip. Kleine attenties zijn van grote waarde.

41. Samenspraak, kontakt en beraad

Samenspraak, onderling kontakt en openhartig beraad zijn voor de eenheid, de opbouw en het funktioneren van onze kongregatie van wezenlijke betekenis. Als wij een ware broedergemeenschap vormen, worden onze gesprekken gekenmerkt door respekt voor elkaar ondanks verschil van mening, door onderlinge liefde en blijvende bezorgdheid voor elkaar, door het mogen delen in elkaars apostolische bewogenheid en door aandacht voor elkaars lief en leed.

42. Vormen van beraad

Voor ons gezamenlijk gelovig zoeken naar wat God van ons vraagt zijn kapittels en kommuniteitsvergaderingen van belang (zie deel III). Aan deze bijeenkomsten hechten wij grote waarde. Maar ook allerlei vormen van meer informeel beraad kunnen voor een broederlijk samenleven en voor ons apostolisch funktioneren van grote betekenis zijn.

43. Eenheid in verscheidenheid

Onze kongregatie is verdeeld in provincies en een provincie wordt gevormd door een aantal kommuniteiten (zie deel III).

Onze kongregationele eenheid is een eenheid in verscheidenheid. Wij streven naar eenheid, maar respekteren de verscheidenheid die er binnen die eenheid is. Er zijn verschillen in landaard, taal en kultuur; verschillen in kerkelijke, nationale of plaatselijke situaties; verschillen in apostolische mogelijkheden en wenselijkheden; verschillen ook in karakters, persoonlijke aanleg en ervaringen.

Wij vormen één kongregatie, maar wij binden elkaar niet aan strakke uniformiteit. Personen, kommuniteiten en provincies verschillen van elkaar. Mits op de juiste wijze beleefd, werkt deze verscheidenheid verdiepend en verrijkend. Verscheidenheid hoeft geen afbreuk te doen aan onze eenheid. Bij alle verscheidenheid kunnen wij een hechte gemeenschap blijven vormen en herkenbaar blijven als broeders van elkaar, als leden van één en dezelfde kongregatie.

44. De leefgemeenschap van een kommuniteit

Alle broeders wonen in een huis van de kongregatie. Alleen in speciale gevallen kan met toestemming van de provinciale overste hiervan afgeweken worden.

Huisgenoten vormen samen een kommuniteit. Als broeders van elkaar moeten wij proberen onze kommuniteiten tot ware liefdegemeenschappen te maken.

Samen als huisgenoten een gemeenschap vormen betekent: groeien in eensgezindheid en zorgzaam meeleven. Elkaar werkelijk als broeders nabij zijn. Belangstelling hebben voor elkaars werk. Oprecht bezorgd zijn voor het persoonlijk geluk van ieder in huis. Het leven voor elkaar goed en waardevol maken. Daarbij gaan wij ervan uit, dat ieder zichzelf mag zijn en allen elkaar aan moeten vullen. "Aanvaardt daarom elkander als leden van één gemeenschap, zoals ook Christus ons in zijn gemeenschap heeft opgenomen." 11) (4)

45. Samen zijn

Als huisgenoten kunnen wij onze broederlijke verbondenheid op veel manieren tot uitdrukking brengen en bevorderen. Het kommuniteitsberaad werd reeds vermeld.

Eucharistievieringen en gemeenschapsgebed geven uitdrukking aan onze verbondenheid in geloof en versterken onze verbondenheid. Ook onze gezamenlijke maaltijden en ons samenzijn in uren van ontspanning kunnen worden tot een teken van eenheid en eenheid bevorderen. Wij noemen elkaar broeders en willen elkaar nabij zijn. Daarom stellen wij er prijs op, aanwezig te zijn bij bijeenkomsten van de gemeenschap.

46. De grote gemeenschap

Niet alleen de plaatselijke gemeenschap doet een beroep op ons; ook de grotere gemeenschap van provincie of kongregatie kan een beroep op ons doen: bij een verplaatsing, een benoeming, een opdracht of een verzoek om te helpen, bij het rekenen op medewerking inzake maatregelen die getroffen worden.

Dan is bereidheid nodig, eigen voorkeuren en verlangens ondergeschikt te maken aan de belangen van de gemeenschap. Dit kan moeilijk zijn. Vooral wanneer onze persoonlijke inzichten afwijken van de inzichten van hen die leiding geven. Maar wij hebben ons aan deze gemeenschap toegewijd en willen ons woord waar maken.

47. Ordening

Ieder mensenleven vraagt om een zekere ordening. Het is goed zichzelf op bepaalde punten vast te leggen, zichzelf een houvast te geven. Als mensen samen werken en samen leven, is er bovendien behoefte aan een gemeenschappelijke ordening.

Als kongregatie hebben wij behoefte aan een ordening die uit onze gemeenschap zelf voortkomt, gericht is op het welzijn van die gemeenschap en veranderd kan worden, als het belang van de gemeenschap dat vraagt.

48. Konstituties en statuten

Daarom hebben wij onze konstituties vastgesteld en in afhankelijkheid van deze konstituties ons kongregationeel statuut en de provinciale statuten.

Konstituties, kongregationeel statuut en provinciale statuten vormen samen het eigen recht van onze kongregatie. Dit eigen recht geeft aan, uit welke geest wij willen leven, welk doel wij nastreven en welke punten wij terwille daarvan vastleggen.

49. Broederlijk leiding geven

In onze gemeenschap zijn ook broeders nodig die leiding geven. Zij moeten dit doen in de geest van Jezus, die van zichzelf zei, dat Hij niet gekomen was "om gediend te worden, maar om te dienen". 12)

50. Taak van hen die leiding geven

Van broeders die leiding geven mag verwacht worden, dat zij inspireren en stimuleren, dat zij de onderlinge eenheid en samenwerking bevorderen, dat zij door doelmatige organisatie en ordening richting geven aan onze gemeenschap. Verwacht mag worden, dat zij luisteren naar wat er leeft onder de broeders, begrip tonen voor moeilijkheden en menselijke nood, wijzen op fouten, vergissingen en zwakheden, krachtig en met gezag optreden, wanneer dat gewenst is.

51. Taak voor allen

Het is waar, dat zij die leiding geven, een speciale taak hebben. Maar het zou onjuist zijn, onze persoonlijke verantwoordelijkheid af te schuiven op leidinggevende personen. Iedere broeder moet zorg-zaam bezig zijn met het geluk van zijn medebroeders. Hoe beter wij dit apostolaat binnenshuis waar maken, hoe beter wij samen in staat zullen zijn, geluk uit te dragen naar buiten.

52. Een open gemeenschap

Gesteund door broederlijke verbondenheid in eigen gemeenschap, hopen wij in kontakten naar buiten, onze medemensen liefdevol nabij te zijn.

Wij vormen een gemeenschap die open staat naar anderen. Allereerst naar hen voor wie wij werken of met wie wij samenwerken. Maar eveneens naar familieleden, kennissen en allerlei mensen die wij in wisselende situaties ontmoeten.

Als open gemeenschap hopen wij ook veel van anderen te ontvangen.

Als open gemeenschap hebben wij aandacht voor de tekenen van de tijd, komen wij op voor recht en gerechtigheid, staan wij gericht op vrede.

Als open gemeenschap hebben wij daadwerkelijke aandacht voor oecumene, voor de hoogste allesomvattende eenheid van alle mensen in Christus.

53. Gastvrijheid

Als open gemeenschap zijn wij geroepen tot grote gastvrijheid. Gasten moeten zich bij ons thuis kunnen voelen.

Daarnaast heeft iedere kommuniteit ook recht op privacy. In onze huizen blijft altijd een gedeelte allereerst voor de broeders zelf bestemd.

4. GEDRAGEN DOOR GOD

54. Geloven

Geloven is blijde verwondering om het diepste geheim van het leven. Geloven is durven leven met dat geheim.

Geloven is geen resultaat van eigen prestaties en kan nooit afgedwongen worden. Geloven wordt gedragen door Gods genade.

Geloven in God betekent in diepste zin, dat wij ons onvoorwaardelijk aan Hem durven overgeven. Op grond van onvoorwaardelijk vertrouwen en gedreven door liefde, omdat Hij ons het eerst heeft liefgehad.

"God is liefde". 7) Zijn liefde draagt ons en heel de schepping. Zijn liefde is de diepste grond, het diepste geheim, van al wat bestaat.

55. God in ons leven

Tot persoonlijke omgang met deze God kunnen wij uit onszelf nooit komen. Maar God openbaart zich. Wij mogen Hem kennen in geloof. Hij maakt zich voor ons bereikbaar in dit aardse bestaan. Hij nodigt ons uit tot levensgemeenschap met Hem.

Gelovend in God, zien wij het gewone dagelijkse leven in een nieuw licht: het wordt voor ons een mogelijkheid tot liefdevolle omgang met de God van liefde. Gelovend in God, mogen wij zijn liefde en trouw beleven in heel de schepping en in alle omstandigheden van ons gewone dagelijkse bestaan. Gelovend in God, mogen wij Hem vinden, als wij onze medemensen liefhebben en als wij hun liefde ervaren. Gelovend in God, zullen wij vaak duisternis kennen, maar ook dan is zijn liefde als een mantel om ons heen.

56. Jezus Christus

De hoogste openbaring van Gods liefde is Jezus Christus. In Hem is de oneindige God in een eindige, aardse verschijningsvorm onder ons gekomen. Jezus Christus: God met ons; Jezus Christus: onze broeder, in alles aan ons gelijk, behalve in de zonde.

57. Zijn voorbeeld, zijn voorkeur

In het evangelie leren wij Jezus kennen. Hij toont ons, hoe een mens is die Gods opdracht ten volle vervult. Hij leert ons zorgzame liefde voor heel de schepping. Hij wordt alles voor allen. Hij heeft aandacht voor menselijke nood en een voorkeur voor armen en zwakken. Hij, de Zoon van God, brengt ons bij die armen en zwakken. En omgekeerd: als wij de armen en zwakken zoeken, brengen zij ons bij Jezus Christus, bij God.

58. Gods nabij zijn

"Ik en de Vader, wij zijn één." 13) Met deze woorden gaf Jezus zijn totale verbondenheid met de Vader weer. Ook wij mogen God liefdevol nabij weten in ons dagelijks leven. Wij zoeken uitdrukkelijke beleving van zijn liefdevolle aanwezigheid:

- als wij bidden,

- als wij ons openstellen voor het woord van de bijbel,

- als wij de sakramenten ontvangen.

59. Bidden

Blijvende zorg voor gemeenschappelijk en persoonlijk gebed behoort wezenlijk bij ons leven als religieus. Wij willen biddende mensen zijn en heel ons leven steeds meer doorweven met momenten van gebed.

60. Gekeerd naar God

In gebed zoeken wij Gods liefde en genade. In gebed hopen wij ons meer en meer open te stellen voor zijn wil en te komen tot onderscheiding des Geestes. In gebed trachten wij ons te keren naar de bedoelingen, die Hij heeft met ieder van ons en met onze gemeenschap.

61. Gebed en leven

Bidden is in liefde tastend God zoeken. Dit zoeken naar God kan en mag niet los staan van ons gewone leven. We kunnen slechts eerlijk bidden tot "onze" Vader, als wij ons - ook in ons gebed - verbonden weten met onze medemensen, als wij bereid zijn in het gewone leven ons geloof in de God van liefde waar te maken, door op de bres te staan voor het geluk van medemensen. Liefde tot medemensen is de gestalte van onze liefde tot God. Eerlijk gebed vraagt om eerlijke mensenliefde, om daadwerkelijke liefde. Dat betekent ook, dat ons gebed gevoed wordt door ons apostolaat en ons weer naar ons apostolaat terug brengt.

62. Tijd voor gebed

Hoe hard wij ook werken en in welke situatie wij ook zijn, het is noodzakelijk, dat er in ons leven momenten blijven voor persoonlijke en gemeenschappelijke bezinning. Momenten, waarin wij "niets-doende" samenzijn met God in Christus. Als wij hieraan voorbijgaan, gaan wij voorbij aan een wezenlijk facet van ons leven als religieus. Ook ons apostolaat zal er onder lijden. Want juist ook bij Christus leren wij in diepste zin, wat mens zijn voor anderen betekent.

63. Regelmaat en trouw

Gebed vraagt om moed en trouw; gebed vraagt om regelmaat. Het kost moeite ons los te maken van onze gewone beslommeringen en ruimte te scheppen voor ons bidden. Maar als wij slechts bidden, wanneer wij ons spontaan daartoe getrokken voelen, komt er van ons bidden niet veel terecht. Daarom zijn afspraken met onszelf en binnen de gemeenschap noodzakelijk.

Maar niet alleen afspraken zijn van betekenis; belangrijk is ook, dat heel de sfeer in een kommuniteit steungevend is voor ons persoonlijk en gemeenschappelijk gebed.

64. Gezamenlijk gebed

Ons gezamenlijk gebed moet verzorgd zijn, stijlvol en levensecht. In onze kommuniteiten komen wij minstens eenmaal per dag samen voor gebed. Graag willen wij door dat gemeenschapsgebed ook delen in het gebed van de grote gemeenschap van de kerk. Mede in verband daarmee is het goed psalmteksten en andere bijbelse teksten een duidelijke plaats te geven in ons gebed. Daarnaast blijft het gewenst, het gebed nauw betrokken te houden bij ons leven van iedere dag.

65. Persoonlijk gebed

Iedere dag dienen wij in ons leven ook ruimschoots plaats te maken voor persoonlijk gebed en overweging.

Persoonlijk gebed betekent niet, dat er altijd spontaan met zelfgekozen woorden gebeden moet worden. Bestaande gebedsteksten kunnen steun en inspiratie geven, als men ze aandachtig en overwegend bidt met zonodig aanpassing aan persoonlijke omstandigheden.

Meditatief gebed is - ook voor mensen die een aktief, apostolisch leven leiden - van wezenlijke betekenis.

De beste vorm van gebed is die waarin God zich het meest meedeelt; dat kan inwendig gebed zijn of mondgebed, overwegende lezing of diep ervaren liefde en overgave.

66. Groei

Gebedsleven kent zoals alles wat leeft, groei en ontwikkeling. Groeiend gebedsleven zal steeds meer verstillen. Steeds meer zal het worden: alleen maar in geloof, hoop en liefde aanwezig zijn bij God. En steeds meer zullen wij God ook aanwezig weten in het gewone leven van iedere dag, in iedereen, in alles. Gebedsleven en dagelijks leven schuiven meer en meer ineen.

Groeiend gebedsleven brengt zoals iedere levensgroei een pijnlijke zuivering met zich mee. Wij moeten onszelf loslaten om te komen tot vereniging met God en met de medemensen. Groei in gebedsleven is onmogelijk zonder in het gewone leven te groeien in liefde.

67. Langduriger perioden

Het is gewenst in ons leven langduriger perioden van gebed en bezinning in te bouwen. Deze zijn van vitaal belang voor een beter begrip van onszelf en van ons leven als religieus; ook voor intenser persoonlijk kontakt met God, voor openheid voor Gods Geest en voor verdieping van onze apostolische bewogenheid.

In iedere provincie worden afspraken gemaakt over de jaarlijkse retraite en andere gelegenheden tot langduriger bezinning. (5)

68. Het woord van de bijbel

Wij willen ons openstellen voor het woord van God door het veelvuldig lezen en overwegen van teksten uit de bijbel. In de bijbel lezen wij, hoe God zich laat ontdekken als aanwezig in onze wereld en in de geschiedenis van de mensheid; hoe Hij zich openbaart.

Het oude testament verhaalt ons de geschiedenis van een volk met hun God en van die God, van Jahwe, met zijn volk.

De eerste christengemeenschappen uit het nieuwe testament leren ons Jezus van Nazaret zien als de Messias, de Christus, als het woord dat vlees geworden is, als het beeld van de levende God, als de Zoon die bidt tot de Vader en ons leert bidden, als de mens die alles voor allen wordt, als de verkondiger van de blijde boodschap. (6)

69. Meest fundamentele levensregel

Die blijde boodschap van Jezus zien wij als onze meest fundamentele levensregel. Zijn woord en voorbeeld beschouwen wij als een richtsnoer. Naar Hem willen wij toegroeien; steeds meer gaan leven uit zijn leven. Zo hopen wij meer en meer te mogen zeggen: "Ikzelf leef niet meer, Christus is het die leeft in mij". 14)

70. Eucharistie

Hoogste viering van deze eenheid met Jezus Christus, hoogste viering van het mysterie van liefde, is de eucharistie. Eucharistie is ook viering van onze eenheid met elkaar en met alle mensen in Hem. "Geeft niet het brood dat wij breken, gemeenschap met het lichaam van Christus? Omdat het brood één is, vormen wij allen tezamen één lichaam, want allen hebben wij deel aan het ene brood." 15) (7)

71. Zelfgave

Hoogste eenheid wordt bereikt door hoogste zelfgave. Wie één wil zijn met anderen, moet zichzelf weg durven geven. Jezus Christus heeft dat gedaan en in de eucharistie gedenken wij dankbaar die zelfgave, gedenken wij dankbaar zijn leven, zijn sterven en zijn opstanding. Tijdens de eucharistieviering drukken wij ons verlangen uit, het voorbeeld van Jezus te volgen en ook in zelfgave liefdevol gekeerd te staan naar onze medemensen. Zo blijft de eucharistie hecht verbonden met ons leven van iedere dag. Daarom streven wij er naar, zo mogelijk dagelijks aan de eucharistieviering deel te nemen.

72. Schuld en boete

Ondanks goede bedoelingen schiet ieder van ons tekort. Persoonlijke en gemeenschappelijke schuld zijn harde werkelijkheden in ons leven. Daarom besteden wij zorg aan het onderzoeken van ons geweten, aan vieringen waarin het bekennen van schuld en de bereidheid tot boete centraal staan en aan een zo vruchtbaar mogelijke, veelvuldige viering van het sakrament van verzoening.

Het is goed bij dit alles te bedenken, dat Jezus ons leerde bidden: "Vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven". 16) Telkens weer moeten wij aan elkaar en aan allen die ons tekort deden, de genade van de vergeving schenken. (8)

73. Vertrouwen

Wij blijven mensen die tekort schieten, maar altijd weer mogen wij vertrouwen op Gods mateloze liefde. Hij heeft ons het eerst liefgehad en blijft ons liefhebben. Altijd weer mogen wij onze hoop stellen op Hem, ook als ons geweten ons aanklaagt, "want God is groter dan ons hart en Hij weet alles". 17)

74. Sakrament voor de zieken

Het getuigt van broederlijke liefde, als wij er zorg voor dragen, dat ook onze zieke medebroeders de geestelijke steun ontvangen waar zij behoefte aan hebben. Voor ernstig zieken kan het sakrament voor de zieken van grote betekenis zijn.

75. Maria

De hoogste openbaring van Gods liefde is Jezus Christus. Van alle mensen is Maria het meest intiem met Jezus verbonden. Zij is zijn moeder en wordt ook de moeder van alle gelovigen genoemd.

Ons leven als broeders is geplaatst onder haar bijzondere bescherming. Ook bij gebed en bezinning zal dat naar voren komen. Haar feestdagen, en met name het feest van haar onbevlekte ontvangenis, krijgen in onze gemeenschap liefdevolle aandacht. Wij overwegen haar leven en in persoonlijk en gemeenschappelijk gebed wenden wij ons tot haar. Naast andere gebeden is het bidden van de rozenkrans waardevol.

De wijzen waarop broeders hun band met Maria tot uitdrukking brengen, kunnen sterk uiteenlopen. Maar het is kenmerkend voor de kongregatie, dat iedere broeder aan de moeder van de Heer, een voorname plaats in zijn leven geeft.

Als apostolische mensen willen wij ons ook door haar laten inspireren tot dienstbaarheid en meeleven met anderen, tot fijngevoelige aandacht voor menselijke nood, tot inzet voor recht en gerechtigheid. (9)

5. ONZE TOEWIJDING

76. Als broeder

Als broeder stellen wij ons in de kongregatie geheel en al in dienst van God en de komst van zijn rijk. In liefde wijden wij ons toe aan Hem die liefde is. En in Hem wijden wij ons toe aan elkaar en aan alle mensen.

77. Onze geloften

Deze toewijding proberen wij in heel ons leven tot uitdrukking te brengen. In de geest van het evangelie doen wij dit onder meer door ons onder geloften te verbinden tot gehoorzaamheid, tot armoede en tot een ongehuwd leven omwille van het Rijk Gods.

78. Heel ons leven

De beleving van onze toewijding, en dus ook van onze geloften, zal heel ons leven doordringen en is hecht verbonden met onze apostolische geest.

79. Evangelische gehoorzaamheid

Wij worden broeder, omdat wij ons geheel en al in dienst willen stellen van God en van de komst van zijn Rijk. Naar het voorbeeld van Jezus "die de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen ... en gehoorzaam is geworden tot de dood" 18) willen wij luisterend, ge-hoor-zaam in het leven staan. Wij proberen de wil van God te beluisteren in wat onze gemeenschap van ons vraagt, in de omstandigheden waarin wij leven, in de mensen die ons nodig hebben.

80. Geheel beschikbaar

Het is ons ideaal, ons naar het voorbeeld van Jezus geheel beschikbaar te stellen: al onze lichamelijke en geestelijke mogelijkheden, onze talenten en deskundigheid, onze tijd en werkkracht, onze initiatieven, kreativiteit en levenservaring, onze voorkeuren en verlangens inzake aard en plaats van werkkring. Door in gehoorzaamheid naar het voorbeeld van Jezus ons leven uit handen te geven, hopen wij te komen tot diep en vruchtbaar menselijk leven.

"Als een graankorrel niet in de akkergrond sterft, blijft hij onvruchtbaar. Maar hij moet sterven; alleen dan brengt hij rijke vruchten voort." 19)

81. Volgens onze gelofte

Door onze gelofte van gehoorzaamheid verplichten wij ons, naar best vermogen te beantwoorden aan wat van ons door onze wettige oversten en wettig kongregationeel gezag overeenkomstig onze konstituties gevraagd wordt.

Volgens deze gelofte willen wij ook gelovig beluisteren wat konstituties, generaal statuut, provinciale statuten en lokale regelingen van ons vragen.

Als leden van deze kongregatie staan wij onder het hoogste gezag in de kerk, zoals dat is neergelegd in het kerkelijk recht. (10)

82. Gehoorzaamheid en apostolaat

Gelovig beleefde gehoorzaamheid zal optimale mogelijkheden scheppen voor de apostolische inzet, zowel van iedere broeder persoonlijk als van de gemeenschap als geheel.

83. Gehoorzamen aan personen

Ons in gehoorzaamheid vrijwillig plaatsen onder het gezag van medebroeders, kan voor ons leven diep ingrijpende gevolgen hebben en zal soms veel van ons eisen.

Het is slechts mogelijk, als wij in geloof gekeerd staan naar Gods wil. Gehoorzaamheid die zo beleefd wordt, kan vreugdevolle vrijheid en beschikbaarheid brengen in ieders persoonlijk leven en in het leven van de gemeenschap als geheel.

84. Initiatief en kritische zin

Door onze gelofte van gehoorzaamheid doen wij geen afstand van eigen geweten of eigen verantwoordelijkheid. Dat kan niet en dat willen wij ook niet. Het is geenszins de bedoeling, dat wij passieve, initiatiefloze en kritiekloze mensen worden. In blijvende bereidheid tot gehoorzamen moeten wij ons ook blijvend mede-verantwoordelijk voelen. Zo zal onze gehoorzaamheid een weg worden om als werkelijk vrije mensen mee te bouwen aan het heil van de mensheid en aan het heil binnen de eigen gemeenschap.

85. Leidinggevende personen

Ook zij die leiding geven, moeten in gehoorzaamheid, in gelovige luisterbereidheid, trachten te onderscheiden wat de Geest van ons vraagt.

86. Evangelische armoede

Wij worden broeder, omdat wij ons geheel en al in dienst willen stellen van God en van de komst van zijn Rijk. Jezus Christus verkondigde dat Rijk. In het evangelie zegt Hij: "Gelukkig de armen; voor jullie is het Koninkrijk van God". 20)

Telkens weer gaf hij blijk van zijn voorliefde voor de armen. Hij waarschuwde voor het verzamelen van schatten "die door mot en worm aangetast worden" 21) en leefde zelf in eenvoud en soberheid.

87. De eerste christenen

Van de eerste christenen die wilden leven naar het woord en het voorbeeld van Jezus, wordt gezegd, dat zij "één van hart en ziel" 22) waren. "Er was niemand die iets van zijn bezittingen zijn eigendom noemde." 22)

88. Christus volgen

Evenals de eerste christenen willen wij leven in gemeenschap van goederen. Evenals zij, willen wij leven naar het woord en het voorbeeld van de arme Christus.

Als persoon en als gemeenschap maken wij ons in het gebruik van geld en goed, in het gebruik van alles wat wij verdienen of krijgen, totaal beschikbaar voor de groei van het Rijk Gods, voor de nieuwe wereld van "gerechtigheid, vrede en vreugde". 1)

89. De bedoeling van deze gelofte

Wij leggen de gelofte van armoede af. Dit betekent, dat wij ons in het gebruik van geld en goed en in het beschikken daarover afhankelijk maken van de kongregatie en van onze kongregationele overheid. (11)

In de geest van deze gelofte plaatsen wij, als persoon en als kongregatie, ons leven in het teken van matigheid.

In de geest van deze gelofte tonen wij in geldelijke aangelegenheden een voorkeur voor armen en zwakken.

In de geest van deze gelofte staan wij gericht op gerechtigheid, op hulp aan mensen in nood, en keren wij ons tegen uitbuiting en onrechtvaardige ekonomische strukturen.

90. Matigheid

Als persoon en als gemeenschap willen wij alles vermijden, wat gezien kan worden als streven naar rijkdom, macht en aanzien, als verlangen naar winst en bezit.

In de inrichting van onze huizen, bij onze maaltijden en ontspanning, in heel ons dagelijks leven moet tot uitdrukking komen, dat wij leven in soberheid en matigheid. Ook onze kleding moet hiervan getuigen.

Voor buitenstaanders zijn wij broeders kenbaar aan ons eigen kongregationeel embleem. (12)

91. Solidariteit

Het is niet onze opzet te leven in extreem materiële armoede en gebrek. Maar wel willen we als apostolische gemeenschap, ook in het gebruik en het beheer van onze goederen, gericht staan op solidariteit met armen en zwakken. In de geest van Jezus Christus wensen wij open te staan naar onze medemensen, met hen te delen, oog te hebben voor hun nood en ons niet te verrijken ten koste van hen.

92. Vrije mensen worden

Door te leven in matigheid en solidariteit hopen wij als vrije mensen uit te groeien boven het louter verlangen naar het aardse en voorbijgaande. Zo bouwen wij door respektvol en vreugdevol gebruik van het aardse en door de bereidheid veel hiervan te missen, mee aan een christelijke wereld en getuigen wij van wat het aardse overstijgt.

93. Persoonlijk verantwoordelijk

Dat wij ons in het gebruik van geld en goed afhankelijk maken, wil niet zeggen, dat onze persoonlijke verantwoordelijkheid wordt afgeschoven naar hen die leiding geven. Het blijft ieders persoonlijke opdracht, een geest van vrijheid te bewaren ten opzichte van geld en goed.

Als ieder van ons er persoonlijk naar streeft, geen schatten te verzamelen op aarde, zal dit ook de geest van onze gemeenschap zijn.

94. Ongehuwd terwille van het rijk Gods

Wij worden broeder, omdat wij ons geheel en al in dienst willen stellen van God en van de komst van zijn rijk. Christus gaf aan hen die bij machte zijn dit te begrijpen, de raad niet te huwen terwille van het Rijk Gods. Wij geloven en willen ook beleven, dat een mens inderdaad zozeer in beslag kan worden genomen door God en de komst van zijn Rijk, dat hij als religieus leeft in celibaat en zich onder gelofte daartoe verbindt.

95. In verbondenheid met Christus

Christus zelf is ons voorbeeld. Hij stond - ongehuwd levend - volledig gekeerd naar de Vader en volledig gekeerd naar zijn medemensen. In liefde heeft Hij zichzelf geheel en al weggegeven, alles voor allen wordend.

Geïnspireerd door Hem en intens verbonden met Hem, wensen ook wij ons ongehuwd leven te plaatsen in het teken van de liefde. In liefde willen wij gekeerd staan naar God, naar onze medebroeders, naar familie en kennissen, naar hen voor wie wij ons inzetten, naar allen die wij ontmoeten. Heel bijzonder willen wij in liefde gekeerd staan naar armen en zwakken, naar allen die ook Jezus' voorkeur hadden.

96. Konsekwenties aanvaarden

Ons ongehuwd zijn terwille van het Rijk Gods moet ge-kenmerkt worden door respektvolle voorzichtigheid en wijze reserve, zoals die gevraagd worden door onze eigen geaardheid en door de levensstaat die wij kozen.

97. Elkaar tot steun

Als broeders moeten wij elkaar helpen bij het beleven van onze ongehuwde staat. Wij kunnen dit doen door elkaar te aanvaarden en met elkaar mee te leven; door hartelijk voor elkaar te zijn; door te proberen een sfeer te scheppen, waarin iedereen zich thuis kan voelen; door begripvol raad en steun te geven of - voor zover dat op onze weg ligt - leiding te geven aan medebroeders; door het voor elkaar mogelijk te maken in eigen gemeenschap liefde te geven en liefde te ontvangen. Ook gebed en gezonde ascese zijn voor ieder van ons noodzakelijk.

98. Apostolaire dimensie

Wij zullen elkaar eveneens helpen om te komen tot een vruchtbare beleving van ons ongehuwd zijn, als wij elkaar inspireren en steunen bij onze apostolische inzet. Ons ongehuwd zijn omwille van het Rijk Gods staat niet los van onze inzet voor dat Rijk. De vrijheid die het ongehuwd zijn ons kan geven en ook de eenzaamheid die ons ongehuwd zijn soms meebrengt, kunnen in verbondenheid met Christus verrijkend en bevruchtend worden voor ons apostolaat. Zij kunnen ons brengen tot liefdevolle en fijngevoelige aandacht voor velen, vooral ook voor hen die weinig liefde ervaren.

99. Een leven in wording

Door het afleggen van onze geloften brengen wij tot uitdrukking, dat wij als vrije mensen ons onverdeeld beschikbaar willen stellen.

Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat wij al dadelijk onverdeeld zijn. Het is onze opdracht, dit steeds meer te worden, dwars door alle moeilijkheden en teleurstellingen heen. Het is een ideaal waarnaar wij streven. Moeizaam, stap voor stap, met vallen en opstaan, proberen wij het te benaderen. Zo trachten wij gelovig en hoopvol te groeien in liefde. Zo zullen wij de vreugde ervaren van onze verbondenheid met Christus, met onze medebroeders en met vele anderen.

DEEL II

INGROEI IN ONZE KONGREGATIE

6. VOORBEREIDINGSTIJD EN NOVICIAAT

100. Inleidende bemerkingen

Het is van belang, dat wij als kongregatie alles in het werk stellen om de vorming van toekomstige broeders verantwoord, doeltreffend en kultureel geïntegreerd te doen zijn.

Groot is daarbij de invloed van broeders aan wie deze vorming speciaal wordt toevertrouwd, en van de broeders met wie toekomstige broeders samenleven.

Van grote invloed is eveneens de geest van heel onze gemeenschap en het voorbeeld dat door ons allen gegeven wordt.

Toekomstige leden mogen rekenen op ons gebed. Bij hun ingroei in de kongregatie moeten zij liefdevol geholpen worden. Met aandacht en geduld dient verhelderd te worden - ook voor henzelf - of zij onze bedoelingen en idealen inderdaad delen en of zij voor dit leven geschikt zijn.

101. Voorbereidingsperiode

Wie meent geroepen te zijn ons leven te delen, moet, voordat hij tot het noviciaat wordt toegelaten, een voorbereidingsperiode doormaken. Tijdens die voorbereidingsperiode krijgt hij gelegenheid, nader kennis te maken met de kongregatie en de kongregatie krijgt gelegenheid hem te leren kennen. Na deze voorbereidingsperiode volgt - als de kandidaat hiertoe wordt toegelaten - het noviciaat.

Het begin van het noviciaat is tevens het begin van het leven als lid van onze kongregatie.

102. Vormingsprogramma

Naast praktische ingroei in ons leven en in onze spiritualiteit is een degelijke theoretische vorming noodzakelijk. Door het vormingsprogramma dient verduidelijkt te worden, hoe wij in geloof, hoop en liefde inhoud willen geven aan ons leven als mens, als christen, als broeder.

De vorming van kandidaten voor onze kongregatie staat met name gericht op het volgende:

- De kandidaten helpen bij het verdiepen en verrijken van hun grondhouding.

- De kandidaten helpen zich te bezinnen op wezenlijke vragen met betrekking tot hun toekomst en hun eventuele roeping tot het religieuze leven. Deze bezinning moet ook getoetst worden aan het gewone leven van iedere dag.

- De kandidaten gevoelig maken voor het ideaal van onze Stichters en voor de geest van onze gemeenschap.

- Aan de kongregatie zowel als aan de kandidaat gelegenheid geven om te komen tot onderscheiden en afwegen, zodat verantwoorde beslissingen kunnen volgen.

103. De novicenmeester

Met toestemming van zijn assistenten benoemt de provinciale overste de novicenmeester. Deze moet geprofest zijn voor het leven en wordt benoemd voor een periode van drie jaar. Hij is herbenoembaar. (13)

104. Tijdsduur

Om geldig te zijn moet het noviciaat twaalf maanden duren en - ofwel aaneengesloten, ofwel met onderbrekingen - in het noviciaatshuis worden doorgebracht.

Na deze periode kan het noviciaat met enige tijd verlengd worden, maar normaal gesproken mag de totale duur van het noviciaat niet langer dan twee jaar zijn.

Wordt er aan getwijfeld of een bepaalde novice geschikt is om geprofest te worden, dan kan voor hem de duur van het noviciaat door de provinciale overste met hoogstens zes maanden verlengd worden. (14)

105. Richtlijnen en regelingen

Het generaal bestuur kan algemene, voor alle provincies geldende, richtlijnen en regelingen geven met betrekking tot opzet en inrichting van het noviciaat.

Nadere bepalingen worden per provincie opgesteld en behoeven de goedkeuring van de provinciale overste en zijn raad. Bij deze bepalingen dient rekening te worden gehouden met de kerkelijke en maatschappelijke situatie in de provincie.

106. Toelating

Kandidaten worden tot het noviciaat toegelaten door de provinciale overste met toestemming van zijn raad en overeenkomstig de voorschriften van het kerkelijk recht. (15)

107. Noviciaatshuis

Bij de oprichting, verplaatsing of opheffing van een noviciaatshuis wordt gehandeld overeenkomstig het kerkelijk recht. (16)

7. PROFESSIE EN VERDERE VORMING

108. Professie

Bij onze professie gaan wij in op wat wij als Gods uitnodiging ervaren, en binden wij ons als broeder aan het evangelisch ideaal van deze gemeenschap. Dat ideaal maken wij tot het onze.

Door onze professie wijden wij ons geheel en al toe aan God en aan de komst van zijn Rijk. Wij nemen het evangelie van Jezus Christus als onze eerste en hoogste levensnorm en beloven in de geest van Jezus samen met onze medebroeders een apostolisch leven te leiden volgens de konstituties van de kongregatie.

109. Professieformule

Ik, broeder .....,

wens me - als lid van de kongregatie van de Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis - toe te wijden aan God, aan de komst van zijn Rijk, en aan het geluk van mijn medemensen.

Ik beloof God, te leven in religieuze gehoorzaamheid, religieuze armoede en religieus celibaat, volgens de konstituties van onze kongregatie.

Ik beloof dit voor .... (drie jaar/heel mijn leven).

Ik verzoek mijn medebroeders, mij liefdevol in hun gemeenschap op te nemen en ik vraag God mij de genade te verlenen, een goed lid van deze gemeenschap te zijn.

Ik vraag u, broeder ..... (als generale overste/als vertegenwoordiger van de generale overste), mijn professie te aanvaarden.

Aanvaarding:

Als generale overste (als vertegenwoordiger van de generale overste) aanvaard ik je professie en ik verklaar, dat je (voor drie jaar/voor heel je leven) aanvaard bent als lid van onze kongregatie.

Moge God je geven, zelf gelukkig te zijn en anderen gelukkig te maken.

110. Tijdelijke professie

Voorafgaande aan de professie voor het leven volgt na het noviciaat eerst een periode van tijdelijke professie.

Wie zich door een tijdelijke professie bindt, doet dit met de bedoeling zich in de toekomst te binden voor het leven, maar het is goed zich aanvankelijk slechts tijdelijk te binden. Gedurende de jaren van de tijdelijke binding kan de roeping tot een leven in onze kongregatie bevestigd worden. Ook kan duidelijk worden, dat het toch beter is, een andere keuze te maken.

111. Tijdsduur tijdelijke professie

De tijdelijke professie duurt minstens drie jaar, hoogstens zes jaar. Per provincie wordt de tijdsduur vastgesteld. Indien wenselijk kan de vastgestelde tijdsduur door de provinciale overste met toestemming van zijn raad voor een bepaalde kandidaat verlengd worden. Maar de gehele periode van tijdelijke professie mag niet langer dan negen jaar duren.

Wanneer de tijd waarvoor de professie werd afgelegd, verstreken is, moet een broeder, wanneer hij er uit eigen beweging om vraagt en hij geschikt geacht wordt, tot hernieuwing van de tijdelijke professie of tot de professie voor het leven worden toegelaten. Anders moet hij de kongregatie verlaten. (17)

112. Toestemming

Zowel voor een tijdelijke professie als voor de professie voor het leven moet de provinciale overste met toestemming van zijn raad goedkeuring verlenen.

Bij een professie voor het leven moet deze goedkeuring bekrachtigd worden door de generale overste met toestemming van zijn raad.

113. Het verbreken van onze binding

De procedures die gevolgd moeten worden bij overgang naar een ander instituut, bij exclaustratie of bij het verbreken van de band met de kongregatie zijn neergelegd in het kerkelijk recht. (18)

114. Steun van de gemeenschap

Door de professie van een broeder te aanvaarden, nemen wij als kongregatie de verplichting op ons, hem in alle opzichten te steunen bij de beleving van zijn roeping.

115. Blijvende vorming

Vanzelfsprekend hebben jonge broeders leiding en begeleiding nodig. De systematische en doelbewuste vorming dient na de opname van een broeder in de kongregatie een aantal jaren door te gaan. Hier moet uitdrukkelijk aandacht aan gegeven worden.

In het dagelijkse kommunitaire leven en eveneens bij zijn apostolische bezigheden mag een jonge broeder rekenen op de speciale hulp van leidinggevende personen, op de steun van de medebroeders met wie hij samenwoont, op de stuwkracht die uitgaat van ons aller leven. De hechtheid van onze apostolische en broederlijke gemeenschap wordt mede getoetst aan de wijze, waarop wij jonge broeders nabij zijn.

Niet alleen in onze vormingsjaren maar gedurende heel ons leven moeten wij openstaan voor ontwikkeling, vorming en verdieping. Als persoon en als gemeenschap dienen wij langs vele wegen daarnaar te zoeken. Ook dit is een uiting van trouw aan onze roeping. Die roeping vraagt van ons, dat wij onszelf blijven bekwamen voor onze taak, dat wij ons op de hoogte houden van ontwikkelingen in kerk en maatschappij, dat wij oog hebben voor de tekenen van de tijd en gericht blijven op geestelijke groei.

116. In blijvende trouw

Op de dag van onze professie beloven wij trouw; trouw voor goede en kwade dagen.

Er zullen dagen komen, die wij als goede dagen ervaren. Dan voelen wij ons gelukkig in deze gemeenschap van broeders en in het nastreven van onze idealen.

Er zullen ook tijden komen, dat het ons moeilijk valt. Wij zullen dagen kennen waarop wij ons ideaal nog maar heel vaag zien. Het leven zal ieder van ons teleurstellingen bezorgen. Menselijke beperktheid en gebrokenheid kunnen sterk gaan spreken; de beperktheid van anderen, de beperktheid van onszelf. Het gewone alledaagse leven kan saai en kleurloos worden; schijnbaar zonder uitzicht op verdere groei. God en de medemensen lijken dan ver weg.

In één woord: het kruis, het lijden zal in ons leven komen. Dan moeten wij weten, hoe vreemd het ook klinkt, dat juist dit lijden kan bijdragen tot ons diepste geluk; dat juist ook het lijden ons kan openen voor de liefde. Goed gedragen lijden kan ons dichter bij God brengen, dichter bij medemensen.

Jezus zelf is ons voorbeeld. In kwade dagen bleef Hij trouw aan zijn opdracht, aan zijn roeping: "Hij werd gehoorzaam tot de dood, tot de dood aan een kruis". 23)

Trouw zien wij ook in het leven van Maria, die in gelovige vreugde haar Magnificat zong en in de duisternis van het lijden durfde te staan bij het kruis.

117. Dankbaarheid

Wij mogen religieus zijn. In geloof, hoop en liefde mogen wij ons kerk-zijn als kongregatie beleven.

God riep ons tot dit leven, Hij opende de mogelijkheden ertoe. "In de kracht van Hem die ons versterkt" 24) richten wij ons bestaan naar de raadgevingen van het evangelie. De levensvorm die Christus koos, maken wij tot de onze.

Wat een mens doet blijft gebrekkig en pover, maar blijvend weten wij ons gedragen in Gods vaderhand, blijvend weten wij ons op weg naar de eindvoltooiing. Daarom kan dankbaarheid glans aan ons leven geven, dankbaarheid voor ons mens zijn, ons christen zijn, ons religieus zijn.

DEEL III

BESTUURLIJKE EN ADMINISTRATIEVE AANGELEGENHEDEN IN ONZE KONGREGATIE

8. HET GENERAAL KAPITTEL

118. Generaal kapittel

Het generaal kapittel heeft het hoogste gezag binnen de kongregatie. Het vertegenwoordigt de kongregatie in haar totaliteit en neemt voor de duur van zijn samenkomen de buitengewone leiding van de kongregatie op zich, zonder iets af te doen aan het gewone bestuur van de generale overste en zijn raad.

De generale overste is voorzitter van het kapittel. (19)

119. Taak van het generaal kapittel

Het generaal kapittel heeft tot taak, het erfgoed van de kongregatie levend te houden en tevens gezonde vernieuwingen te stimuleren.

Het generaal kapittel behartigt de geestelijke en materiële belangen van de kongregatie en treft regelingen die bindend zijn voor heel de kongregatie.

Het generaal kapittel kiest het generaal bestuur.

Kapittelbijeenkomsten zijn vruchtbaarder naarmate zij beter worden voorbereid en naarmate alle belanghebbenden er intenser bij betrokken zijn.

120. Samenroeping

120. Samenroeping van het zesjaarlijks generaal kapittel heeft plaats door de generale overste uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van zijn ambtstermijn.

121. Alle leden van het generaal kapittel worden schriftelijk opgeroepen. Afwezigen verbeuren alle stemrecht.

Het generaal kapittel kan alleen geopend worden en rechtsgeldig vergaderen, indien en zolang tenminste tweederde van het aantal leden aanwezig is.

122. Met inachtneming van het kerkelijk recht bepaalt het kongregationeel statuut, welke zaken tijdens het gewone zesjaarlijkse kapittel aan de orde dienen te komen.

123. Leden

Het generaal kapittel bepaalt, hoe het eerstvolgende kapittel wordt samengesteld. Het aantal gekozen leden moet groter zijn dan het aantal leden, dat ambtshalve lid is.

Ambtshalve lid van het kapittel zijn: de generale overste en zijn assistenten en de provinciale oversten.

Gekozen leden van het generaal kapittel moeten minstens drie jaar geprofest zijn voor het leven.

124. Het generaal kapittel is rechtsgeldig bijeen, zodra de voorzitter het kapittel geopend heeft verklaard. Het kapittel is ontbonden wanneer - nadat de agenda is afgewerkt - de voorzitter met toestemming van de absolute meerderheid van de kapittelleden het kapittel ontbonden verklaart.

125. Buitengewone kapittels

Buitengewone generale kapittels moeten gehouden worden:

. als het generaal kapittel zelf hiertoe besluit,

. als meer dan de helft van de broeders hierom vraagt,

. als de generale overste en zijn assistenten om zeer gewichtige redenen hiertoe besluiten.

In al de hier genoemde gevallen zal de generale overste tijdig voor de bijeenroeping zorg dragen.

Het kiezen van de kapittelleden gebeurt volgens aan de situatie aangepaste regelingen, maar er mag niet onnodig van de gewone regelingen afgeweken worden.

126. Afwijking van besluiten

Het generaal bestuur is gebonden aan de besluiten van het generaal kapittel, tenzij naar het oordeel van het generaal bestuur zwaarwegende, niet door het kapittel voorziene, redenen zich daartegen verzetten.

Afwijkingen van genomen kapittelbesluiten moeten door het generaal bestuur tijdens het eerstvolgende generaal kapittel verantwoord worden.

9. HET GENERAAL BESTUUR

127. Samenstelling

Het generaal bestuur wordt gevormd door de generale overste en zijn raad van assistenten.

Het aantal assistenten wordt bepaald door het generaal kapittel maar zal minstens drie en hoogstens zes bedragen. De generale overste of zijn vikaris vertegenwoordigt de kongregatie in en buiten rechte.

128. Generale overste

Een generale overste wordt door het generaal kapittel gekozen voor een periode van zes jaar en kan slechts eenmaal voor een aansluitende ambtsperiode van zes jaar in aanmerking komen.

129. Om tot generale overste gekozen te kunnen worden, moet een kandidaat minstens tien jaar geprofest zijn voor het leven.

130. Om tot generale overste gekozen te zijn, moet een kandidaat tweederde van de rechtsgeldig uitgebrachte stemmen van de stemgerechtigde aanwezigen op zich verenigd hebben, onverminderd het bepaalde in artikel 128.

Met betrekking tot de verkiezingsprocedure moet het volgende in acht genomen worden:

Indien bij de eerste stemming voor de keuze van de generale overste geen broeder tweederde der stemmen behaalt, moet een tweede stemming gehouden worden en zo nodig een derde.

Als ook bij de derde stemming geen der kandidaten tweederde der stemmen behaalt, moet een vierde gehouden worden. De broeder die bij deze stemming de absolute meerderheid behaalt, is gekozen.

Levert de vierde stemming geen absolute meerderheid op, dan moet een vijfde stemming gehouden worden. Deze vijfde stemming gaat echter uitsluitend over de twee kandidaten, die bij de vierde stemming de meeste stemmen behaalden. Voor zover nodig bepaalt een tussenstemming wie de meeste stemmen op zich verenigen. Bij deze tussenstemming en bij de vijfde stemming kiezen de kandidaten over wie het gaat zelf niet mee.

Indien bij de vijfde stemming beide kandidaten een gelijk aantal stemmen behalen, geldt hij voor gekozen, die de jongste is in leeftijd.

De uitslagen van de afzonderlijke stemmingen moeten aanstonds na iedere stemming bekend gemaakt worden.

131. Als een broeder tot generale overste gekozen wordt, maar niet tegenwoordig is bij het kapittel, moet hij onmiddellijk ontboden worden.

De vergaderingen worden uitgesteld tot zijn komst.

Als de verkiezing volgens de voorschriften heeft plaatsgehad, zal de voorzitter - of indien de voorzitter zelf gekozen is, de sekretaris - de verkiezing wettig verklaren en afkondigen.

132. Generale assistenten

Een generale assistent wordt door het generaal kapittel gekozen voor een periode van zes jaar.

Hij is herkiesbaar.

133. De generale assistenten moeten bij afzonderlijke stemming gekozen worden.

Om tot generale assistent gekozen te zijn, moet een kandidaat tweederde van de rechtsgeldig uitgebrachte stemmen van de stemgerechtigde aanwezigen op zich verenigd hebben. Gebeurt dit niet bij de eerste of tweede stemming, dan wordt de volgende procedure gevolgd:

Indien bij de eerste en tweede stemming geen broeder tweederde der stemmen behaalt, beslist bij een derde stemming de absolute meerderheid. Levert de derde stemming geen absolute meerderheid op, dan moet een vierde stemming gehouden worden. Deze vierde stemming gaat echter uitsluitend over de twee kandidaten, die bij de derde stemming de meeste stemmen behaalden. Voor zover nodig bepaalt een tussenstemming wie de meeste stemmen op zich verenigen.

Bij deze tussenstemming en bij de vierde stemming kiezen de kandidaten over wie het gaat zelf niet mee. Indien bij de vierde stemming beide kandidaten een gelijk aantal stemmen behalen, geldt hij voor gekozen die de jongste is in leeftijd.

De uitslagen van de afzonderlijke stemmingen moeten aanstonds na iedere stemming bekend gemaakt worden.

134. Als een broeder tot generale assistent gekozen wordt, maar niet tegenwoordig is bij het kapittel, moet hij onmiddellijk ontboden worden. Het verloop van het kapittel hoeft echter niet onderbroken te worden.

135. Nadat de generale overste en de assistenten gekozen zijn, worden alle stembriefjes onmiddellijk vernietigd.

136. Het aftredende bestuur defungeert, zodra het nieuwe bestuur gekozen is.

137. Vikaris

Na de keuze van de assistenten - en uit hen - kiest het generaal kapittel de plaatsvervanger van de generale overste voor de duur van diens ambtsperiode. Deze plaatsvervanger wordt gekozen bij absolute meerderheid van stemmen en draagt de titel van vikaris.

De vikaris treedt op als plaatsvervanger van de generale overste, als deze afwezig is of niet tot handelen in staat is. De vikaris treedt eveneens als plaatsvervanger op in een periode, dat het ambt van generale overste vakant is.

138. De assistenten van de generale overste zijn overeenkomstig de bepalingen van het kerkelijk recht en onze eigen konstituties betrokken bij het bestuur van de kongregatie:

. door het geven van advies en steun aan de generale overste,

. door medewerking aan de beleidsvoorbereiding,

. door mede te beslissen,

. door behulpzaam te zijn bij het uitvoeren van beslissingen.

139. In de gevallen welke genoemd worden in het kongregationeel statuut (art. 28) beslist de generale overste met toestemming van zijn daartoe bijeengeroepen raad.

140. Beslissingen die door de generale overste of door de generale overste met zijn raad genomen worden in overeenstemming met onze konstituties en ons kongregationeel statuut zijn bindend voor alle broeders op wie deze beslissingen betrekking hebben.

141. Visitatie

De generale overste of een van zijn assistenten zal minstens eens in de zes jaar visitatie houden in alle provincies.

Tijdens deze visitatie moet iedere broeder de gelegenheid hebben met de visitator te spreken.

142. Ekonoom en sekretaris

De generale overste benoemt met toestemming van zijn raad:

. de generale ekonoom,

. de sekretaris van het generaal bestuur.

Deze broeders worden benoemd voor een periode gedurende welke het bestuur zelf zitting heeft.

Ze zijn herbenoembaar.

143. Sekretaris

De sekretaris van het generaal bestuur heeft de leiding over en is verantwoordelijk voor het sekretariaat.

Van de vergaderingen van het generaal bestuur wordt een verslag opgemaakt. Voor het tot stand komen van dit verslag is de sekretaris van het bestuur verantwoordelijk. Het generaal bestuur autoriseert dit verslag.

144. Ekonoom

Over de taak van de generale ekonoom wordt nader gesproken in de artikelen 167 en 168 van deze konstituties.

145. Verplaatsing naar een andere provincie

De verplaatsing van een broeder van de ene provincie naar een andere gebeurt door de generale overste na de provinciale oversten van beide provincies gehoord te hebben.

146. Afwijking van konstituties

De generale overste kan om zeer gegronde redenen en met toestemming van zijn raad aan een provincie toestemming verlenen om af te wijken van een regeling uit onze konstituties, welke niet wezenlijk is voor het religieuze leven.

10. PROVINCIES EN KOMMUNITEITEN

147. Verscheidenheid in eenheid

Zowel voor provincies als voor kommuniteiten geldt, dat zij beter zullen funktioneren naarmate zij hechter geworteld zijn in de landeigen of plaatselijke situatie van maatschappij en kerk.

Dit zal verscheidenheid meebrengen; deze verscheidenheid is vruchtbaar, als zij in geloof gedragen wordt door eenheid in apostolische bewogenheid en door oprechte broederlijkheid.

148. Provincies

Een provincie wordt gevormd door een aantal kommuniteiten, die binnen het grote geheel van de kongregatie in speciale betrokkenheid op elkaar een eenheid vormen met een eigen provinciaal kapittel, een eigen provinciaal bestuur en een eigen provinciaal statuut.

Een provincie kan gesticht en opgeheven worden, hetzij door het generaal kapittel, hetzij door de generale overste met toestemming van zijn raad.

Met uitzondering van de leden van het generaal bestuur, de generale ekonoom en de sekretaris van het generaal bestuur behoren alle broeders tot een provincie.

149. Provinciaal bestuur en provinciaal kapittel

Het provinciaal bestuur wordt gevormd door de provinciale overste en zijn raad van assistenten.

Het aantal assistenten wordt bepaald door het provinciaal kapittel, maar zal minstens drie bedragen.

150. Om tot provinciale overste gekozen te kunnen worden moet de kandidaat minstens vijf jaar geprofest zijn voor het leven.

151. Een provinciale overste vervult zijn funktie gedurende een periode van zes jaar en kan eenmaal voor een aansluitende ambtsperiode van zes jaar in aanmerking komen, behoudens wat bepaald is in de artikelen 48 en 49 van ons kongregationeel statuut.

152. Een provinciaal assistent vervult zijn funktie gedurende een periode van zes jaar en kan voor volgende perioden van zes jaar in aanmerking komen, behoudens wat bepaald is in de artikelen 48 en 49 van ons kongregationeel statuut.

153. Aangaande het tot stand komen en het funktioneren van het provinciaal bestuur worden regelingen getroffen in ons kongregationeel statuut. Dit geldt evenzeer voor de samenstelling en het funktioneren van het provinciaal kapittel.

154. Om zeer gegronde redenen kan het generaal kapittel of de generale overste met toestemming van zijn raad een besluit van een provinciaal kapittel of van een provinciaal bestuur nietig verklaren. De redenen moeten worden meegedeeld.

155. Provinciaal statuut

Een provincie heeft een eigen provinciaal statuut. Dit wordt vastgesteld door het provinciaal kapittel of door het provinciaal bestuur en behoeft de goedkeuring van de generale overste en zijn assistenten.

156. Kommuniteiten

Het oprichten en opheffen van een kommuniteit behoort tot de bevoegdheid van het generaal bestuur. Kontakt hierover met de bisschop van het diocees is vereist. (20)

157. Lokaal bestuur

Een kommuniteit heeft een lokale overste. Samen met zijn assistenten vormt hij het lokale bestuur. In een kleine kommuniteit kunnen alle geprofeste broeders met de overste samen het lokaal bestuur vormen.

De overste is de voorzitter van het lokaal bestuur en van de kommuniteitsvergadering.

Lokale oversten en lokale assistenten worden benoemd door de provinciale overste met toestemming van zijn raad, na de betrokken kommuniteit gehoord te hebben.

Om benoemd te kunnen worden tot overste van een kommuniteit moet een broeder minstens drie jaar geprofest zijn voor het leven.

De overste en de andere leden van het lokaal bestuur hebben binnen hun kommuniteit:

. een stimulerende en inspirerende taak,

. een koördinerende en organisatorische taak,

. een representatieve taak,

. in bepaalde gevallen een korrigerende taak.

158. Recht van beroep

Een broeder of een kommuniteit die niet tot overeenstemming kan komen met het lokaal bestuur of de lokale overste, heeft het recht zich in eerste instantie te beroepen op het provinciaal bestuur of op de provinciale overste.

Komt men ook dan niet tot overeenstemming, dan heeft een broeder of een kommuniteit het recht zich te beroepen op het generaal bestuur of op de generale overste. Als er geen overeenstemming bereikt wordt, beslist de generale overste.

Een hogere overheid neemt in ernstige aangelegenheden geen besluit, alvorens alle hierbij betrokkenen gehoord te hebben.

11. DE TIJDELIJKE GOEDEREN EN HET BEHEER ERVAN

159. Persoonlijke bezittingen

Voor onze tijdelijke professie doen wij afstand van het beheer van onze goederen aan wie wij willen. Ook treffen wij in vrijheid een schikking voor het gebruik en vruchtgebruik ervan.

Een testament moet gemaakt worden uiterlijk voor de professie voor het leven. Dit testament moet geldig zijn voor de burgelijke wet.

Voor het aanbrengen van veranderingen in deze schikkingen en voor elke rechtshandeling inzake tijdelijke goederen is verlof nodig van de provinciale overste. (21)

160. Wij behouden de eigendom van onze goederen en de bevoegdheid andere goederen te verwerven, maar uitsluitend door erfenis en legaten.

Een broeder met professie voor het leven kan met verlof van de generale overste afstand doen van verkregen of nog te verkrijgen erfgoed.

De generale overste kan dit recht delegeren aan de provinciale oversten.

161. Gemeenschap van goederen

Uit onze gemeenschap van goederen vloeit ook het volgende voort:

. Wat wij door onze werkzaamheden verdienen, wordt eigendom van de kongregatie. De kongregatie is verplicht in ons levensonderhoud te voorzien, zolang wij lid zijn van deze gemeenschap.

. Ook geld uit nevenarbeid verkregen, is geld van de kongregatie.

. Persoonlijke geschenken zijn, als ze aanvaard worden, eigendom van de kongregatie. Het gebruik ervan wordt per provincie geregeld.

. Wij hebben geen privé-bankrekening of privé-girorekening, waarover wij onafhankelijk beschikken.

. Alle bedrijven of instituten die op een of andere manier afhankelijk zijn van de kongregatie, leggen ook financiële verantwoording af aan de kongregatie.

162. Het vermogen van de kongregatie

Als rechtspersoon is de kongregatie van rechtswege bekwaam tijdelijke goederen te verwerven, te bezitten, te beheren en te vervreemden. (22)

De goederen behoren toe aan de kongregatie als geheel, zoals bedoeld in onze konstituties.

Voor zover - historisch gezien - vermogensbestanddelen zijn verkregen door of ten name zijn gesteld van de afzonderlijke provincies, kommuniteiten of daarmee gelieerde eenheden, treden genoemde eenheden slechts op als houder of beheerder namens de kongregatie als geheel.

163. De provinciale oversten en hun assistenten aan wie in onze konstituties het beheer over enig onderdeel van het vermogen van de kongregatie is opgedragen, dragen zorg voor afzondering van dit vermogen in een rechtspersoon - gekonstitueerd naar het recht van het land waar het vermogen zich bevindt - en benoemen het bestuur van deze rechtspersoon.

164. In de doelomschrijving van de in artikel 163 bedoelde rechtspersoon moet verwezen worden naar de bepalingen van onze konstituties, terwijl tevens een verbod van statutenwijziging zonder schriftelijke toestemming van het generaal bestuur moet worden opgenomen.

165. De aldus konform de vorige artikelen opgerichte rechtspersoon is te allen tijde op verzoek van het generaal bestuur, gehouden tot onmiddellijke afgifte van haar vermogen of een deel daarvan aan de kongregatie als geheel of aan een door het generaal bestuur aangewezen rechtspersoon.

166. Het generaal bestuur is belast met het beleid inzake het vermogen van de kongregatie als geheel en het beheer daarvan en is daarvoor verantwoording schuldig aan het generaal kapittel. Het generaal kapittel verleent aan het generaal bestuur décharge voor het gevoerde beheer en beleid.

167. Het generaal bestuur laat zich in het vermogensbeheer bijstaan door de generale ekonoom, die zijn taak vervult onder leiding van de generale overste.

De generale ekonoom is geen lid van het bestuur.

168. De generale ekonoom legt jaarlijks verantwoording af aan het generaal bestuur over het door hem - in opdracht van het generaal bestuur - gevoerde vermogensbeheer en over het hem opgedragen toezicht op de lagere besturen.

Aan de generale ekonoom wordt jaarlijks door het generaal bestuur décharge verleend op grond van een accountantsrapport.

169. Het provinciaal bestuur is belast met het beleid inzake het vermogen van de provincie en het beheer daarvan en is daarvoor verantwoording schuldig zowel aan het generaal bestuur als aan het provinciaal kapittel. Het provinciaal kapittel en het generaal bestuur verlenen het betreffende provinciaal bestuur décharge voor het gevoerde beleid.

170. Het beheer van onze goederen en van ons kapitaal moet in overeenstemming zijn met het kerkelijk en burgerlijk recht.

171. Kongregationeel statuut

In ons kongregationeel statuut worden verdere regelingen getroffen met betrekking tot de tijdelijke goederen en het beheer ervan.

DEEL IV

SLOTBEPALINGEN

172. Behoudens wettige dispensaties hebben deze konstituties bindende kracht voor alle leden van onze kongregatie.

173. Als met een meerderheid van 2/3 van de stemmen hiertoe beslist wordt, kan een generaal kapittel met toestemming van de H. Stoel veranderingen in deze konstituties aanbrengen.

174. Het recht van praktische interpretatie van deze konstituties berust bij het generaal kapittel of bij de generale overste met toestemming van zijn assistenten. De authentieke interpretatie is voorbehouden aan de H. Stoel.

LIJST VAN CITATEN

1) Rom. 14, 17

2) Mc. 2, 27

3) 1 Kor. 12, 4-5

4) 1 Kor. 12, 14

5) 2 Kor. 4, 5

6) 1 Kor. 12, 26

7) 1 Joh. 4, 8

8) Joh. 15, 12

9) Hand. 4, 32

10) 1 Tess. 5, 15

11) Rom. 15, 7

12) Matt. 20, 28

13) Joh. 10, 30

14) Gal. 2, 20

15) 1 Kor. 10, 16-17

16) Matt. 6, 12

17) 1 Joh. 3, 20

18) vgl. Fil. 2, 7 en 8

19) Joh. 12, 24

20) Luc. 6, 20

21) Matt. 6, 19

22) Hand. 4, 32

23) Fil. 2, 8

24) vgl. Fil. 4, 13

Verwijzingen

1. CIC Can. 675

2. CIC Can. 578

3. CIC Can. 675

4. CIC Can. 608, 665, 667.1

5. CIC Can. 663.5

6. CIC Can. 663.3

7. CIC Can. 663.2

8. CIC Can. 664

9. CIC Can. 663.4

10. CIC Can. 590.2

11. Konst. Hfdst. 11, art. 151-163

12. CIC Can. 669

13. CIC Can. 651

14. CIC Can. 648, 649, 653

15. CIC Can. 641, 643, 645

16. CIC Can. 647

17. CIC Can. 655-658

18. CIC Can. 684-704

19. CIC Can. 631

20. CIC Can. 609.1, 616

21. CIC Can. 668

22. CIC Can. 634